
De teams maken grote vooruitgang in elk onderdeel van het ALCOVE-project. Hieronder een beknopt overzicht van de laatste ontwikkelingen, zodat we een helder en gedeeld beeld behouden van onze gezamenlijke vooruitgang.
WP2 – Communicatie: stevige basis en groeiende zichtbaarheid
De fundamenten van de communicatiestrategie zijn inmiddels gelegd, opgebouwd rond vier kernpunten die voortkomen uit de feedback van het consortium: zichtbaarheid geven aan de thematiek van longkankerscreening, de multidisciplinariteit onder de aandacht brengen, zorgprofessionals actief betrekken en de interesse van industriële spelers wekken.
Er zijn al verschillende communicatiemiddelen opgezet en gedeeld: de eerste nieuwsbrief, een specifiek LinkedIn-account, gedeelde documenttemplates en een gemeenschappelijke roll-up banner. De website zit momenteel in de afwerkingsfase.
Een eerste persmoment, georganiseerd ter gelegenheid van het lanceringsevenement in Rijsel, heeft ruime media-aandacht gegenereerd in zowel in Frankrijk als in België. Opvallend was de sterke betrokkenheid van de partners, vooral bij de productie van audiovisuele content, met interviews en reportages die tot stand kwamen dankzij hun actieve deelname.
WP3 – Klinische studie: naar een gedeeld en robuust protocol
Op 10 december 2024 kwamen de WP3-partners samen om gezamenlijk vooruitgang te boeken in de organisatie van de klinische studie van ALCOVE: studieopzet, logistiek, rekrutering van deelnemers… alle essentiële onderdelen werden besproken.
Tegelijkertijd leidt het Universitair Ziekenhuis van Rijsel – als promotor van de studie – de voorbereiding van de regelgeving, in nauwe samenwerking met de teams van WP4 en WP6. Aanbevelingen worden gedeeld met de technische teams (OP2 en OP11) om te garanderen dat het prototype van de elektronische neus voldoet aan de essentiële vereisten op het gebied van veiligheid, ergonomie, werking en gebruik in een realistische context.
Het klinisch onderzoeksteam kwam twee keer per maand samen om de studiesynopsis op te stellen. Deze bevindt zich nu in de afwerkingsfase en werd recent overgedragen aan de eenheid ondersteuning klinische studies van het Universitair Ziekenhuis van Rijsel, die zal instaan voor de indiening bij de Franse regelgevende instanties en de coördinatie met het Jules Bordet Instituut (Belgische promotorinstantie). Dit werk omvat de analyse van referentiepublicaties, de integratie van opmerkingen van klinische partners, de uitwerking van het statistische analyseplan en de voorbereiding van het elektronisch gegevensverzamelingsformulier (e-CRF).
WP4 – Een prototype in pre-seriefase
De Universiteit van Luik heeft intensief gewerkt aan de ontwikkeling van het prototype van de elektronische neus, met het oog op de start van klinische proeven. Er vonden meerdere coördinatievergaderingen plaats met WP5 en WP6 om de technische visies op elkaar af te stemmen – op 15 november en 11 december 2024 online, en vervolgens op 27 en 28 januari 2025 op de campus van Aarlen, waar de modellering werd gepresenteerd aan de teams van het Universitair Ziekenhuis van Rijsel, CIC-IT, en de Belgische partners.
Dankzij de constante dialoog met de clinici van WP3 kon het prototype vóór de klinische tests worden aangepast. Op 18 februari werd gestructureerde feedback gedeeld over de modellering door deskundigen infectiepreventie en clinici. Op basis daarvan is een eerste versie van het prototype in productiefase gegaan aan de Universiteit van Luik.
Parallel werd een octrooiprocedure opgestart in samenwerking met de juridische dienst van de Universiteit van Luik, met als doel het apparaat te beschermen en de overdracht naar de industrie te vergemakkelijken.
WP5 – Naar gevoelige en geminiaturiseerde sensoren
De partners van WP5 hebben nauw samengewerkt met die van WP4 om de geometrische en elektrische eigenschappen van de sensoren te definiëren die in de elektronische neus geïntegreerd zullen worden. Het doel: compatibiliteit en uniformiteit garanderen tussen de sensoren die door verschillende teams worden ontwikkeld, waaronder de Universiteit van Bergen, Materia Nova en IMT Nord Europe. De specificaties werden geconsolideerd tijdens een bijeenkomst in Aarlen.
De Universiteit van Bergen is gestart met de productie van een eerste reeks sensoren, gemaakt van gevoelige materialen op basis van metaaloxiden. De synthese van deze materialen is een langdurig en nauwkeurig proces, waarbij hun morfologie gecontroleerd wordt om de gevoeligheid en selectiviteit te verbeteren. De sensoren worden geminiaturiseerd bij Materia Nova: een gevoelige laag wordt via zeefdruk aangebracht op een substraat van ongeveer 2 mm². Dit substraat wordt met behulp van gouddraden opgehangen in een TO-behuizing, die zowel mechanische bescherming biedt als zorgt voor een elektrische verbinding. Er is een overeenkomst gesloten tussen Materia Nova en een onderaannemer om de productie van deze sensoren in kleine series te verzekeren.
Daarnaast verkennen de partners het transistoreffect om het signaal van de sensoren te versterken. De Universiteit van Reims ontwerpt en produceert organische en anorganische dunnefilmtransistors voor de detectie van vluchtige organische stoffen, in samenwerking met WP5-partners. Enkele belangrijke vorderingen zijn:
- de verlaging van werkingsspanning door optimalisatie van de gate-isolator;
- ontwerp en realisatie van een mechanisch en elektrisch aanpassingssysteem voor het meten van de transistorrespons op VOC’s bij IMT Douai;
- aanpassing van transistortechnologie om compatibel te zijn met dit meetsysteem (aanbrengen van een metaallaag);
- levering van eerste behandelde substraten aan Materia Nova voor het aanbrengen van metaaloxidefilms, voorafgaand aan de transistorproductie in Reims.
Ten slotte heeft IMT Nord Europe een testbank opgezet om de prestaties van sensoren te evalueren, met name onder gecontroleerde klimatologische omstandigheden. De volledige tests die aan de Universiteit van Luik worden uitgevoerd, zullen het mogelijk maken om de respons van eerste generatie sensoren te valideren onder omstandigheden die nauw aansluiten bij hun uiteindelijke gebruik.
WP6 – Interface, veilige gegevensoverdracht en softwareverwerking
De WP6-partners hebben hun inspanningen geconcentreerd op drie essentiële aspecten voor de operationele implementatie van de elektronische neus: het gegevensbeheerplan (DMP), veilige gegevensoverdracht en ontwikkeling van de gebruikersinterface.
In een eerste fase werden de vereisten van een DMP geanalyseerd, volgens de verwachtingen van het Interreg-programma. Een eerste versie van het plan werd uitgewerkt via het DMPonline.be platform. De volgende stappen bestaan uit het contacteren van de klinische partners om gedetailleerde informatie te verzamelen over het type gegevens dat gegenereerd wordt, hun locatie, hun opslagwijze en toegangsvoorwaarden.
Parallel daaraan vonden verschillende vergaderingen plaats over de modaliteiten voor veilige gegevensoverdracht. In afwachting van de definitieve technische en juridische vereisten werd voorlopig gekozen voor een lokale, fysieke opslagoplossing om de start van de meetcampagnes niet te vertragen.
Ook de gebruikersinterface van de elektronische neus kende zijn eerste ontwikkelingen. Een eerste versie werd ontwikkeld met de Godot game engine, compatibel met meerdere platforms (Windows, Android, macOS). Deze applicatie biedt toegang tot gegevens via gepersonaliseerde wachtwoorden. Een functioneel prototype werd gerealiseerd op de campus van Brugge, met als doel de Bluetooth-verbinding te ontwikkelen en te testen vóór integratie op het uiteindelijke apparaat.
Daarnaast heeft Universiteit van Luik verder gewerkt aan de ontwikkeling van een interfacesoftware die ontwikkelaars in staat stelt te communiceren met de elektronische neus. Via Bluetooth kunnen de gemeten waarden van de sensoren worden opgehaald en geïntegreerd in een softwareapplicatie. Dit systeem zal dienen als basis voor de mobiele applicatie die KU Leuven ontwikkelt binnen haar activiteiten.











